Biografie Frans Copijn

Frans Maarten Gerard Copijn is geboren op 11 maart 1899 te Groenekan (Utrecht) en aldaar overleden op 29 maart 1979. Hij had nog een twee jaar oudere zuster, Marrejan Copijn.
Zijn vader, Pieter Gerard Copijn (1854-1927), zijn grootvader Jan Copijn (1812-1885) en verdere ooms en neven waren allemaal boomkwekers, vanaf 1763 gevestigd in Groenekan en omgeving. Zijn grootvader Jan Copijn was naast boomkweker de eerste tuin- en landschapsarchitect in de familie Copijn.

De omgeving waarin Frans en zijn zuster Marrejan opgroeiden, was prachtig! Ze woonden in een landhuis (Huize Welgelegen), gesitueerd op een perceel van een halve hectare. De tuin was weelderig en verzorgd, met een grote diversiteit aan planten en fruitbomen.
Frans hield veel van planten en dieren. Hij verzamelde rupsen en gaf ze eten totdat ze zich verpopten en uitkwamen als vlinders. Hierdoor kreeg hij een grote vlinderverzameling, die hij na hun dood opprikte en schilderde. In zijn jonge jaren al tekende en schilderde hij veel.

Zijn vader wilde graag dat Frans zou gaan studeren na het behalen van zijn gymnasiumdiploma.
Dat werd biologie in Utrecht. Maar de studie beviel hem niet.
Hij was lid van de studentenvereniging het Corps. Hierdoor moest hij ook het ‘ontgroeningsritueel’ ondergaan.
Hij vertelde daar vol walging over, en verliet mede daardoor de studentenvereniging.
Hij hield de studie vol tot en met het kandidaatsexamen.
Toen pas had hij de moed om aan zijn vader te vertellen te willen stoppen met de studie biologie en dat hij verder wilde gaan met de studie schilderen aan de Rijksacademie in Amsterdam. 
Daar woonde hij tussen het Rokin en het Rembrandtplein. Hij genoot van de stad en de studie.
De Rijksacademie stond bekend als een ‘gedegen’ opleiding, door een haast ambachtelijke aanpak.
Vele uren werden besteed aan het natekenen met potlood, houtskool en olieverf van Griekse gipsen beelden, naaktmodellen en stillevens.
Er bleef maar weinig ruimte over voor ‘vrij’ schilderen.
Later sprak hij echter vol dankbaarheid over zijn jaren op de academie.
Daarna, vertrouwend op eigen kracht, zocht hij verder om stijl, techniek en materiaalkeuze te zoeken en uiteindelijk te vinden (aquarel).

In de periode dat hij biologie studeerde, kwam hij door zijn tante, Jet de Feyfer (1880-1969), de zuster van zijn moeder Agnes Copijn-de Feyfer (1875-1966), in aanraking met de antroposofie van Rudolf Steiner (1861-1925).
Ook ontmoette hij daar Frits Julius (1902-1970), medestudent biologie, die voor de rest van zijn leven zijn beste vriend was.
Frits was ook geïnteresseerd in de antroposofie en samen bezochten zij in 1922 een lezing van Rudolf Steiner in Den Haag.

Na zijn studie aan de Rijksacademie vertrok Frans in 1926 naar Dornach (een dorp in Zwitserland, dicht bij Bazel).
Hier begon Rudolf Steiner in 1913 aan de bouw van het Goetheanum, een imposant gebouw opgetrokken uit hout, dat het internationale centrum zou worden van de antroposofische beweging.
In de oudejaarsnacht van 1922 werd het gebouw door brandstichting verwoest. Daarna werd het herbouwd in beton.


Frans was diep verbonden met de antroposofie van Rudolf Steiner en maakte door hem kennis met de kleurenleer van Goethe.
Dat vormde de basis voor zijn volstrekt individuele zoektocht in de schilderkunst, een zoektocht naar het wezen van de natuur.
In Dornach maakte hij, om in zijn levensonderhoud te voorzien, de decors voor de toneelopvoeringen van Goethes Faust.

Franz Löffler, een nog door Rudolf Steiner opgeleide heilpedagoog, initieerde in 1929 een heilpedagogisch instituut voor de opvang en verzorging van zwakbegaafde kinderen en jongvolwasssenen in Schloss Gerswalde, Uckermark.
Niet lang daarna vroeg hij of Frans daar ook wilde komen werken, evenals Marianne Elisabeth Wegel, die in Dornach een euritmie-opleiding had gevolgd, een bewegingskunst die door Rudolf Steiner was ontwikkeld.
Frans gaf schilderlessen aan de medewerkers en had daarnaast tijd voor zijn eigen vrije schilderkunst.
Marianne gaf euritmieles aan medewerkers en bewoners.
Zij trouwden in 1935.
Samen kregen zij vier kinderen: twee zonen, Allrik (1938-2007) en J’ørn, (1941) en daarna twee dochters, Urte (1942) en Fionna (1944).
De Tweede Wereldoorlog was een moeilijke tijd voor het instituut, met weinig eten.
In november 1945 kreeg het hele gezin tyfus.
Marianne, die al verzwakt was doordat ze was geraakt door een rondvliegende granaatscherf, overleed als gevolg van de tyfus op 20 november 1945, 32 jaar oud.

Op het heilpedagogisch instituut in Gerswalde werkte ook Lore Sachtleben (geboren in 1916 te München en overleden op 16 juni 1983 te Groenekan), die de Frauen Hochschule had gevolgd, een managementopleiding om leiding te geven in het huishouden en de tuin bij grote landgoederen of instituten.
Haar man, Gerhard Schumacher, was arts op het instituut. Beiden waren goed bevriend met Frans en Marianne.
Frans kreeg vanwege de oorlogstijd de bevoegdheid om Gerhard en Lore in de echt te verbinden.
Gerhard Schumacher was als arts verplicht om te werken in de loopgraven bij Petersburg, en sneuvelde daar.

Op het sterfbed van Marianne had Lore beloofd voor haar vier kinderen te zorgen.
Marianne was haar beste vriendin, zij hadden een diepe band met elkaar.
In 1947 trouwde Lore met Frans Copijn.
In oktober 1948 werd hun zoon Gerhard Maarten geboren.

In 1950, toen door het IJzeren Gordijn de grens tussen Oost- en West-Duitsland werd afgesloten, vluchtte het gezin net op tijd naar Nederland.
Het grote gezin werd met liefde opgevangen door moeder/grootmoeder Agnes Copijn-de Feyfer in Huize Welgelegen te Groenekan, en ook door de andere medebewoners van Huize Welgelegen, zuster/tante Marrejan Copijn, getrouwd met Johan Verloop, en hun twee kinderen, Aggy en Martin.
Zij allen woonden en leefden samen in het grote landhuis met onder andere acht slaapkamers.
In mei 1955 kwam er tot ieders verrassing nog een bewoonster bij, zusje/halfzusje Elisabeth Marianne.
Zo telde het gezin nu zes kinderen.
Frans en Lore hadden niet veel geld om het gezin te onderhouden en werden daarom financieel geholpen door moeder Agnes, de familie Verloop en de moeder van Lore, Lilly Speck-Sachtleben.

Voor Frans werd in 1951 een atelier gebouwd, midden in de tuin van Huize Welgelegen.
Rondom het atelier legde Frans een prachtige tuin aan met allerlei soorten rhododendrons in vele kleuren en maten, dit was zijn grote passie.
Driemaal per jaar gaf Frans twee weken achter elkaar schilderlessen op de land- en tuinbouwschool Warmonderhof te Warmond, momenteel gevestigd in Dronten.
Hij was zeer geliefd bij de studenten.

Op verzoek van professor Bernard Lievegoed en zijn vrouw Nel Schatborn maakte hij meerdere grote wandschilderingen voor het door hen opgerichte heilpedagogisch instituut het Zonnehuis te Zeist, met als thema ‘de jaarfeesten’.

Vanaf zijn zeventigste jaar schilderde Frans haast niet meer.
In de tijd dat hij in Dornach woonde, had hij besloten om als zijn levenstaak ‘Het boek van de aarde’ te schilderen.
Na het maken van 150 schilderijen in ca. 30 jaar (landschappen, granen, geneeskruiden, dieren en wolkencomposities) had hij deze taak volbracht.
Wanneer iemand een schilderij van hem wilde kopen, schilderde hij dat, zoveel mogelijkheid gelijkend, nog een keer, zodat het origineel in zijn bezit bleef.
Daardoor zijn al zijn schilderijen in de familie gebleven.
De meeste worden bewaard op Huize Welgelegen.
In 1978, nog tijdens zijn leven, is door Wim Schukking de Frans Copijn Stichting opgericht in overleg met Frans en Lore Copijn, met als doelstelling het werk van Frans Copijn te bewaren en te eniger tijd openbaar te maken.

In zijn laatste jaren was Frans Copijn vaak te vinden in de tuin, waar hij zich toelegde op het bestuderen en kweken van rhododendrons.