De schilderwerkwijze van Frans Copijn

Frans ontwikkelde een heel eigen aquareltechniek.
Het papier werd zeer nat gemaakt met behulp van een spons en vervolgens opgespannen op een houten plank en bevestigd met breed papieren plakband.
Dan begon hij aan zijn eerste laag waterverf.
Als deze laag droog was, werd het papier met behulp van een plantenspuit voorzichtig weer bevochtigd en kon een tweede laag aquarelverf worden aangebracht.
Zo ontstond het schilderij laag voor laag.
Deze techniek heet sluiertechniek of nat-in-nattechniek.

Frans vervolmaakte deze techniek op een ongelofelijke manier. Als je de precisie en verfijning van zijn schilderijen ziet, kun je begrijpen dat hij aan één schilderij ongeveer drie of vier weken werkte.
Hij schilderde met brede en heel fijne penselen van marterhaar, die hij in Engeland kocht.
Veelal maakte hij met plantenpigmenten zijn eigen verf. Dat was op zich al een hele studie.

Voordat hij begon aan het schilderen van zijn granen en geneeskruiden zaaide Frans ze eerst.
Hij volgde de hele ontwikkeling van de plant: hoe hij is geworteld in de grond, hoe de plant met zijn stengels en bladeren door de lucht is omgeven en hoe de bloem bloeit en geurt met de vliegende bijen eromheen.

Over zijn landschapschilderijen vertelt zijn dochter Urte:
Ik heb mijn vader eens gevraagd hoe hij aan zijn schilderijen kwam en hoe hij ze schilderde. Ik kreeg een uitgebreid antwoord: hij vertelde me dat hij de stemming van het landschap dat hij schildert, steeds opnieuw in zich opneemt en in alle rust en stilte op zich laat inwerken.
Hij maakte eenvoudig schetsen van vormen met potlood, waarop hij ook de kleurspecificaties noteerde.
Hij schilderde nooit naar de natuur, maar uitsluitend in zijn atelier. Soms duurde het een paar jaren voordat hij een waargenomen landschap ging schilderen.
In zijn atelier begon hij altijd te schilderen met een heel tere, bijna onzichtbare kleur blauw. Nadat de eerste laag was opgedroogd, volgde de tweede laag, totdat er uiteindelijk een vaag patroon ontstond. Vervolgens ging hij verder met een even delicaat geel of rood.
Deze lagen waren bijna onzichtbaar en hij vertelde mij dat hij wel honderd lagen over elkaar heen had geschilderd, totdat de geïnternaliseerde stemming die in hem leefde als een gevoelde herinnering in het schilderij verscheen.
De ‘consistentie’ met de ‘stemming’ die hij in zijn ziel ervaart.

Het bijzondere van zijn werk is aan de ene kant de exactheid waarmee hij bomen, planten en granen schilderde en aan de andere kant de lichtheid en doorschijnendheid.
Frans gebruikte geen witte verf. Alles wat wit is op zijn schilderijen, zoals wolken, opspattend water, mist, sneeuw enzovoort is ‘uitgespaard’ en is dus het wit van het papier waar hij op schilderde.
Ten slotte werd het schilderij met vloeibare bijenwas afgewerkt, ter ondersteuning van het behoud van de kleuren.

Bijna elk schilderij had afgeronde hoeken, en onderaan elk schilderij staat de naam van de locatie of van de plant en de datum waarop het schilderij geschilderd is. Vaak ook de datum waarop hij de schets maakte. De meeste werken hebben een afmeting van 34 x 46 cm.

Werken van Frans Copijn